De (bijna) dode zielen van Mohammed

‘Evenmin zijn de levenden gelijk aan de doden. Voorwaar, God hoort wie Hij wil. U bent niet in staat degenen die al in het graf zijn te laten horen.’ (35:22)

Wat gebeurt er met je na de dood? Kunnen de zielen van overledenen ons zien en horen? Kunnen we tot hen spreken? Kunnen we de heiligen, en die vast een streepje vóór hebben bij God, vragen of ze een goed woordje voor ons willen doen? Het bovenstaande Koranvers is glashelder. Nee, dat kan niet. De doden kunnen ons niet horen. Graven bezoeken, bidden bij een graf, het was nutteloos. God is de enige die iets hoort. Die opvatting komen we nog steeds tegen bij fundamentalistische islamitische stromingen. Zij beschouwen graven als verdacht; gelovigen zouden daar mensen vereren in plaats van God. Menig historisch grafmonument is in de loop der tijd om die reden ten prooi gevallen aan de slopershamer.

Op het eerste gezicht lijkt Mohammeds opvatting heel uitzonderlijk…

Hij leefde toch in een wereld waarin iedereen heilig geloofde in de mogelijkheid om te bidden tot Maria of de heiligen, waarvan de zielen in de aan hen gewijde kerken ‘woonden’ en die, vanwege hun heiligheid, direct toegang hadden tot Jezus Christus en God. In het Byzantijnse rijk, de supermacht van die tijd, was dit alles heel normaal – zo niet een fundament onder het geloof. Vooral Maria was heel populair. Als vrouw en moeder had zij immers meer empathie met de lijdende mens, en als moeder van Jezus Christus kreeg ze bij haar zoon vast alles gedaan. Een zoon kon zijn moeder toch niks weigeren? Heiligen waren overal. Ze beschermden steden en wijken tegen ziekten en andere rampen. Ze zorgden voor genezing en voorspoed. Zonder bovennatuurlijke hulp was het leven trouwens onmogelijk. Hoe kwam het dan dat Mohammed deze interactie zo radicaal afwees?

Werd hij beïnvloed door het jodendom? Volgens deze religie kwamen de zielen na de dood terecht in een schimmige onderaardse ruimte, sheol, waaraan geen ontsnappen mogelijk was (Prediker 9:5-8; Psalmen 6:5-6; 115:17). Iedere ziel voegde zich daar bij de zielen van zijn volk (Genesis 25:8; 25:17, et cetera). Contact zoeken met die zielen was een grote zonde, een overtreding van Gods geboden, zoals blijkt uit het verhaal van koning Saul die een heks had benaderd om in contact te komen met de ziel van de profeet Samuël (1 Samuël 28). Maar volgens de joodse geleerden ‘leefden’ de zielen dus wél in het sheol en konden ze ook denken en spreken. Het was gewoon verboden hen te benaderen. In de Koran ligt dat toch anders. De zielen doen niets; ze kúnnen niets horen of doen. Alsof ze dood zijn, of in diepe slaap. Voor de oorsprong van deze opvatting moeten we tóch te rade bij het christendom. Maar eerst nog wat meer over Mohammeds opvattingen.

I.

De menselijke ziel zit zeker niet stil, als we de Koran mogen geloven. Zodra je in slaap valt, verlaat je ziel het lichaam en ontfermt God zich over je ziel. (En daarbij ‘ziet’ hij wat je die dag hebt gedaan). En elke morgen keert de ziel terug in het lichaam. Dat gaat zou door tot aan de dood. Werkelijk definitief terugkeren naar God doet de ziel pas op de Dag des Oordeels, de dag waarop God recht zal spreken over de levenden én de doden. Een en ander staat kernachtig samengevat in de volgende Koranpassages:

‘En Hij is het die u tot zich neemt in de nacht en Hij weet wat u overdag gepresteerd hebt. Daarna wekt Hij u daarin op [in de nieuwe dag], opdat de vastgestelde termijn [iemands levensduur] voltooid wordt. Dan is er uw terugkeer tot Hem, en dan zal Hij u inlichten over wat u placht te doen.’ (6:60)

‘God neemt de ziel tot zich op het moment van haar dood, en van degenen die niet gestorven zijn, in hun slaap. Dan houdt hij degenen tegen [laat niet terugkeren] die Hij tot de dood heeft veroordeeld, en Hij zendt de anderen tot een vastgestelde tijd terug. Hierin zijn tekenen voor mensen die willen nadenken.’ (39:42)

Die voor ons zo curieuze opvatting dat de ziel tijdens de slaap het lichaam verlaat, is in wezen oeroud. Ze is wellicht al te vinden in de grote hymne aan de zonnegod Aten van farao Ekhnaton (plm. 1350 v.Chr.), waarin over alle leven, inclusief de mens, wordt gezegd: ‘Als u [de zon] opkomt leven ze, als u onder gaat, sterven ze’. Maar laten we ons verdiepen in die Dag des Oordeels. Even heél kort: de oorsprong van het idee dat er een laatste dag zal bestaan, waarop God alle onrecht zal wreken, moet gezocht worden in de joodse traditie.

Aanvankelijk, zo zagen we, waren de zielen gedoemd om in de onderwereld te blijven. God deed daar niets mee. Het enige dat Hij beloofde was dat de levende joden, als ze Hem trouw bleven, een machtig koninkrijk zouden krijgen (Leviticus 26:3-9; Deuteronomium 11:13-15). Naderhand echter ontstond de opvatting dat in die gezegende tijd de doden van het volk weer tot leven zouden komen (Jesaja 26:14 versus 26:19; Daniël 21:2.). Hieruit ontstond weer de christelijke traditie van de Dag des Oordeels, waarbij God en Christus op aarde terugkeren, waarna de gelovigen het paradijs mogen betreden. Diezelfde Dag wordt ook (vele, vele malen) aangekondigd in de Koran.

In de tussentijd, tussen de dood en de Dag des Oordeels, verblijven de zielen volgens de Koran in hun graven. Niet bij God maar onder de hoede van een ‘engel des doods’:

‘Zeg: ‘De engel des doods, die verantwoordelijk voor u is, zal u tot zich nemen. Daarna zult u tot uw Heer worden teruggebracht.’ (32:11)

Op die Dag gebeurt er iets opmerkelijks. Iedereen krijgt zijn lichaam terug. Dat wil zeggen, de zondige zielen krijgen een lichaam zodat ze in de hel gemarteld kunnen worden; de goede of gelovige zielen krijgen een perfect, hemels lichaam waarmee het mogelijk is om het paradijs te betreden en van alle geneugten te genieten. Om ervoor te zorgen dat ook degenen die leven (op de Dag des Oordeels) dat perfecte lichaam krijgen, zullen zij allemaal op die Dag sterven, om direct daarna weer te verrijzen in het juiste lichaam:

‘Iedereen zal de dood smaken en u zult uw beloning uitbetaald krijgen op de dag van de opstanding.’ (3:185)

Ondertussen worden de zielen in de graven met veel lawaai opgewekt:

‘Er zal op de bazuin geblazen worden, en dan haasten zij zich uit hun graven naar hun Heer. Zij zullen zeggen: ‘Wee ons! Wie heeft ons van onze rustplaats doen opstaan?’ (36:51-52)

Dat rusten van die zielen, zonder enig besef van de wereld, komt ook naar voren in het volgende vers:

‘Want op de dag dat zij zien wat hun is aangezegd lijkt het alsof zij slechts één uur van de dag weg waren geweest.’ (46:35)

En als de zielen verzameld zijn, en van een nieuw lichaam zijn voorzien, zal God over hen oordelen, daarin bijgestaan door engelen en alle profeten (die ook uit de dood zijn verrezen), inclusief Mohammed en Jezus (4:158-159; 16:89; 20:108-109; 42:6).

Volgens de Koran slapen de zielen dus in hun graven. Ze horen niks en kunnen ook God niet bereiken. Ze kunnen dus niet als middelaars optreden. De enige die luistert is God. Dat wordt in de Koran vele malen herhaald. Een voorbeeld:

‘Voorwaar, uw Heer is God, die de hemelen en de aarde in zes dagen geschapen heeft, daarna ging Hij op de troon zitten om met Zijn woord alles aan te sturen. Er is geen bemiddelaar dan overeenkomstig Zijn wil.’ (10:3)

Wat dat laatste betreft noemt de Koran alleen de engelen en profeten op de Dag des Oordeels. Vandaar dat het geen zin had om de graven van de doden te bezoeken om tot hen te bidden of hen iets te vragen.

III.

Komt deze opvatting ook voor in het christendom? Op het eerste gezicht zou je denken van niet. Maar schijn bedriegt. Binnen de christelijke traditie heeft wel degelijk een stroming bestaan die ‘bemiddelaars’ radicaal afwees. En dat was in de tijd dat Mohammed zijn ware religie ontwierp en predikte. De toestand van de ziel direct na de dood was in het christendom vanaf het begin een heikel discussiepunt. Dat begon, zo te zeggen, op het moment dat de eerste volgeling van de apostel Paulus stierf en begraven werd. Paulus predikte dat de Dag des Oordeels héél nabij was, en zijn volgelingen raakten dan ook verontrust toen leden van de gemeente overleden. Zouden zij nog worden gered? Paulus schreef:

‘Wij zeggen u met een Woord van de Heer: wij, die in leven blijven tot de komst van de Heer, zullen de doden in geen geval voorgaan. Wanneer het signaal gegeven wordt […] dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan, en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen worden weggevoerd op de wolken en gaan we de Heer in de lucht tegemoet. Dan zullen we altijd bij hem zijn. Troost elkaar met deze woorden.’ (1 Tessalonicenzen 4:15-18)

De doden lagen volgens hem dus gewoon te wachten in hun graven op de grote dag. Maar naarmate de jaren verstreken, en duidelijk dat de doden ‘die Christus toebehoren’ vele jaren moesten wachten, rezen er ook vragen. Maar wat deden ze daar? Wat dachten ze daar? Moest dat nou? Het vraagstuk van de wachtende zielen werd enigszins gecompliceerd door een passage in het Lucasevangelie waarin Jezus Christus zélf heel iets anders suggereert. In de parabel van de bedelaar Lazarus (Lucas 16:19-31) lezen we namelijk dat Lazarus direct die na zijn dood heerlijk kon genieten ‘aan Abrahams hart’ , terwijl de rijke man die hem nooit wat had gegeven na zijn dood ‘hevig gekweld werd’. Blijkbaar bestond er toch zoiets als een directe bestraffing na de dood. Maar dat schiep een probleem: waar was de Dag des Oordeels dan nog voor nodig?

De oplossing kwam van de eerste kerkvaders. Natuurlijk zou Gods definitieve oordeel zou pas komen op de Dag des Oordeels. Maar gelovigen hoefden écht niet zo lang te wachten op hun beloning – en zondaars moesten niet denken dat ze lekker van hun rust konden genieten. Nee, volgens de kerkvaders worden de zielen vanuit het graf vergaard in de onderwereld (ze gebruikten vaak de klassieke term Hades), die uit twee ruimten bestond: een aangename ruimte voor de goede zielen, en een onaangename voor de zondaars. Maar dat was dus slechts een voorproefje van wat komen zou op de Dag des Oordeels. In diezelfde tijd ontstond ook de opvatting dat wie écht heilig was, of een martelaar, niet hoefde te wachten in de onderwereld maar direct door mocht naar het paradijs. Zonder perfect lichaam, dat wel, want dat kregen ze op de Dag des Oordeels.

Deze opvatting over de onderwereld werd in de loop der eeuwen breed geaccepteerd. En verfijnd. Zo schreef kerkvader Augustinus dat de onderwereld niet uit twee maar uit vier ruimten bestond, waarbij de bewoners van de ruimten twee en drie (niet helemaal goed, niet helemaal slecht) een plekje ‘omhoog’ konden gaan wanneer er flink voor hen werd gebeden. (de nummers één waren verzekerd van een plekje in het paradijs; de nummers vier waren niet te redden.) Het aardige is dat deze opvatting later ook in de islam ingang vond. Er bestaat een hadit (een vermeende uitspraak van Mohammed) die luidt: ‘Het graf is een van de tuinen van het paradijs, of een van de putten van de hel’. Een tweedeling dus. Ook voor moslims was het idee dat alle zielen gewoon in hun graf lagen te slapen, niet echt logisch. Maar de Koran zegt niets over deze ongelijke behandeling voorafgaand aan de Dag des Oordeels.

IV.

Er waren er ook die tegen dit ‘hotel’-model fundamentele bezwaren hadden. Want wat kón een ziel eigenlijk, zo zonder lichaam? Hun argumenten waren niet van theologische maar van filosofische aard – en dat betekende dat ze gewicht in de schaal legden. De klassieke filosofie beschouwde de ziel als het geestelijke deel van de mens. De ziel werd zich van dingen bewust dankzij de zintuigen, en die indrukken brachten de ziel ertoe om het lichaam in actie te laten komen. Een ziel zonder lichaam had geen contact meer met de omgeving. Ze zag, hoorde, voelde niets meer, had dus geen gedachten. En kon ook geen actie ondernemen. Zonder lichaam restte voor de ziel niets anders dan een vegetatief, een ‘slapend’ bestaan.

Met name de invloedrijke stoïsche filosofen zetten dan ook grote vraagtekens bij het idee dat een ziel na de dood actief kon zijn – of zelfs maar kon voortbestaan. Misschien korte tijd, dan. Volgens Chrysippus van Soli (279-206 v.Chr.) viel een ziel na de dood langzaam uit elkaar. De zielen van wijze mensen leefden wat langer na de dood; die van slechte mensen vergingen al direct bij de dood van hun eigenaar. Deze stoïsche visie botste later natuurlijk met de christelijke opvatting dat de zielen onbeperkt in het graf (of de onderwereld) konden vertoeven. Sommigen bedachten een creatieve oplossing. Kerkvader Eusebius van Caesarea vertelt in zijn Kerkgeschiedenis het volgende:

‘Rond diezelfde tijd [rond het jaar 200] stonden anderen op in Arabië, die een leerstuk naar voren brachten dat niet strookte met de waarheid. Ze zeiden dat in deze tijd de menselijke ziel sterft en vergaat met het lichaam, maar dat zij met de tijd van de wederopstanding beide samen zullen worden hernieuwd. In die tijd was er een ook synode met een behoorlijke omvang, en Origenes, die daar opnieuw was uitgenodigd, hield daar een toespraak hierover met als gevolg dat de mening van degenen die eerder gevallen waren, veranderde.’ (Kerkgeschiedenis VI,37)

God schiep op de Dag des Oordeels dus niet alleen nieuwe lichamen maar óók nieuwe zielen. Het zal de welbespraakte en belezen Origenes (184-253) weinig moeite hebben gekost om de lokale bisschoppen weer op het rechte pad te krijgen.

Het is interessant dat deze opvatting opdook in ‘Arabië’, dat wil zeggen in de oostelijke provincies van het Romeinse Rijk. We weten namelijk dat het idee dat zielen sliepen met name populair was in die regio. Het is vaak terug te vinden in de geschriften van Syrische auteurs, zoals in die van de beroemde dichter Ephrem de Syriër (306-373). Maar de meest invloedrijke verdediger van deze opvatting was waarschijnlijk de beroemde monnik Abba Jesaja (ook wel ‘Babai de Grote’, hij leefde omstreeks 450). Diens verzameld werk, de Asketikon (‘over de ascese’) oefende grote invloed uit op de monniken in het Midden-Oosten. Babai was een overtuigend aanhanger van de zielenslaap. Als een ware stoïcijnse filosoof schreef hij dat de ziel niet kan functioneren zonder het lichaam, zoals vuur niet bestaat zonder brandstof. Dat gold wat hem betreft zelfs voor Jezus Christus gedurende de drie dagen tussen zijn dood en zijn verrijzenis, toen zijn ziel in de hemel was terwijl zijn lichaam nog in het graf lag. Dat lichaam kon niets meer – maar Jezus’ ziel kon óók niks:

‘Toen onze Heer zijn ziel had opgegeven en zijn goddelijkheid met het lichaam in het graf was, en [die goddelijkheid] ook met de ziel in het paradijs, bleef zijn lichaam zonder leven en zintuigelijke indrukken en zijn ziel zonder gedachten en handelen.’

V.

Babai ging een stap verder. Hij sprak openlijk uit dat hij niet geloofde dat de zielen van de heiligen ‘wakker’ waren en iets voor de levende gelovigen konden betekenen. Het bezoeken van de graven van martelaren, en hen allerlei verzoeken doen, was nutteloos. Als een dergelijk gebed werd verhoord, was dat te danken aan God en niet aan de heilige. Babai hoefde daarbij niet alleen te vertrouwen op de filosofie. In de schaarse teksten over dit onderwerp duikt ook een Bijbelvers op uit de brief van Paulus aan de Hebreeën. Daarin staat te lezen over Bijbelse helden en martelaren:

‘Al deze mensen, die van oudsher om het geloof geprezen worden, hebben de belofte niet in vervulling zien gaan omdat God voor ons iets beters had voorzien, en hij hen niet zonder ons de volmaaktheid wilde laten bereiken.’ (11:39-40)

Ook hieruit blijkt dat de heiligen onvolmaakt waren (want zonder lichaam) tot de Dag des Oordeels.

De rechtlijnige Babai legde dus een bom onder een van de belangrijkste en meest populaire onderdelen van het christelijk geloof. Tegelijkertijd is het wel te begrijpen waarom deze opvatting door een deel van de monniken met instemming werd begroet. Veel monniken moesten er vast niks van hebben. Bijvoorbeeld omdat ze heilig overtuigd waren van de macht en de kracht van Maria en de heiligen. Voor anderen waren dit soort ideeën juist wél aantrekkelijk omdat ze goed aansloten bij het ascetische ideaal van een totale concentratie op God.

De discussie over de zielenslaap bleef altijd een beetje ondergronds. De geschriften van Babai over dit onderwerp werden waarschijnlijk ook als een soort ‘illegale pamfletten’ verspreid en gekopieerd. Er is vrijwel niets van bewaard gebleven. (We weten het vooral dankzij een werk van een latere bewonderaar, Dadisho, die zijn best doet om te bewijzen dat de grote Babai het nooit zo had bedoeld.) Het onderwerp kon vooral ‘voortsudderen’ omdat het los stond van de grote discussie over de aard van christus, een discussie die er uiteindelijk voor zou zorgen dat de christelijke kerk in de loop van de zesde eeuw uiteen zou vallen in de ‘orthodoxe’ en de ‘monofysitische’ kerk. Aanhangers van de zielenslaap waren dan ook in beide kampen te vinden. Maar ondertussen had dat standpunt zulke radicale consequenties dat het aan beide zijden ‘ondergronds’ bleef.

Vanaf omstreeks 600 (Mohammed was een jonge vent) kwam de discussie hierover meer naar de oppervlakte. Wellicht kwam dat door de culminatie van een ander debat, namelijk dat over Maria-Tenhemelopneming. (Zie mijn vorige blog.) Na ruim een eeuw van debatteren en speculeren kondigde keizer Maurikios omstreeks 590 af dat niet alleen de ziel van Maria in de hemel was opgenomen maar óók haar lichaam. Daarmee werd de Moeder Gods als het ware onttrokken aan het debat over de effectiviteit van het bidden tot de overledenen: Maria’s ziel kon de smeekbeden van de gelovigen horen, want ze beschikte daarboven immers over zintuigen. Deze opmerkelijke promotie van Maria (ze was naast Jezus Christus de enige in de hemel met een lichaam) wierp voor de zoveelste keer de vraag op hoe het dan zat met de ‘gewone’ heiligen, die pas op de Dag des Oordeels een lichaam zouden krijgen.

Of het nu kwam door Maria of niet, na 600 lag het onderwerp zielenslaap duidelijk op tafel. Paus Gregorius (hij was paus van 590 tot 604) schreef er een verhandeling over (een onderdeel van zijn Dialogen) en een andere invloedrijke theoloog, Maximus de Belijder (580-662), klaagde ooit dat het idee van de zielenslaap onder monniken heel populair was geworden. Ook kennen we een geschrift van de theoloog Leontius van Jeruzalem (rond 600) over hetzelfde onderwerp. En blijkbaar doken aanhangers van de zielenslaap ook op in Constantinopel, en veroorzaakten ze daar enige onrust, want ene Eustratius schreef daar, rond dezelfde tijd, een verhandeling ‘Over de toestand van de zielen na de dood’, gericht tegen niet nader aangeduide opponenten:

‘Sommigen van hen die zich aan wetenschappelijk onderzoek wijden en onderzoek willen doen naar de menselijke ziel, die er ook een debat over hebben uitgelokt, zegge dat dat na het vertrek [van een mens] uit dit leven en het uiteengaan van de zielen en de lichamen, de zielen ook inactief blijven of ze nu heilig zijn of niet.’

Die laatste opmerking is de weggever: deze ‘wetenschappers’ beweerden dus dat de zielen van de heiligen óók sliepen. Eustratius is uiteraard verontwaardigd over deze opvatting en komt met allerlei bewijzen (Bijbelverzen, verhalen) die duidelijk moeten maken dat het bidden tot heiligen wel degelijk waarde heeft. Zijn opponenten zullen daarvan niet onder de indruk zijn geweest. Ze kenden ongetwijfeld hun Babai: De zielen sliepen en alleen God kon de smeekbeden horen en iets doen.

De discussie hield nog heel lang aan. Dat blijkt wel uit het feit dat bijna een eeuw later Anastasius van Sinaï (hij leefde in het beroemde Catharinaklooster, stierf ergens na 700) er ruime aandacht aan besteedde in zijn ‘Vragen en antwoorden’. (Dergelijke boekjes werden in die tijd vaak geschreven; ze waren bedoeld om lagere geestelijken en leken in eenvoudige taal antwoord te geven op theologische vragen.) Anastasius erkent dat de zielen afhankelijk zijn van de zintuigen en dat zielen van gewone gelovigen na de dood inderdaad slapen. (Het filosofische argument had nog niets van zijn kracht verloren.) Maar, zei Anastasius, dat gold niet voor de heiligen. Bij hen was de ziel namelijk ‘overgenomen’, overmeesterd, misschien wel compleet vervangen door de heilige geest. En daardoor was deze na de dood blijven functioneren, zoals blijkt uit de wonderverhalen:

‘Maar dit [slapen] geldt voor degenen die in zonde gestorven zijn. Want de zielen die de heilige geest hebben ontvangen werden, zo lijkt me, zogezegd, lichaam en instrument want ze verheugen zich door hun verlichting zelfs na de dood, prijzen God verstandelijk door hun woord en treden op voor anderen, zoals we leren uit de Heilige Schrift.’

We weten niet of dit compromis, deze warrige poging om de heiligenverering te redden, veel aanhangers had. Wat we wél weten is dat pakweg driekwart eeuw later keizer Constantijn V (741-775) een poging heeft gedaan om een strenge versie van de leer van de zielenslaap door te drukken. Maar dat was al anderhalve eeuw na het ontstaan van de Koran. We moeten terug naar Mohammed.

VI.

Mohammed begon omstreeks 610 met het verkondigen van zijn boodschap. Hij riep de Mekkanen op terug te keren naar het ware geloof, het geloof van de aartsvader Abraham. Wanneer zij zich zouden bekeren, zou de rest van Arabië hen volgen. Abraham had (in de ogen van Mohammed) uitsluitend God vereerd en niets en niemand anders. De Arabieren moesten dus alle vreemde goden afzweren en voortaan alleen nog maar God aanbidden. De Mekkanen hadden eerder al een religieuze zuivering van de Kaäba uitgevoerd; ze vereerden daar de God van Abraham maar daarnaast vereerden ze ook nog drie ‘dochters van God’ die volgens hen als ‘middelaars’ optraden tussen de mens en God. Eigenlijk was de rol van die ‘dochters’ volkomen vergelijkbaar met die van Maria en de heiligen in de christelijke kerk. Maar Mohammed beschouwde die verering als een grote zonde. De ware religie was een strikt monotheïsme waarin werkelijk geen ruimte was voor wat voor ‘middelaars’ dan ook. (Zie mijn boek ‘Mohammed en het ontstaan van de islam’)

Was Mohammed op de hoogte van de christelijke discussie? De islamitische Traditie schildert de Profeet graag af als een analfabeet, iemand die nooit iets had gelezen of gehoord en de hele Koran loodrecht van boven heeft ontvangen. Maar de Koran laat zich ook anders lezen. Het boek is doortrokken van christelijke noties en discussies. Mohammed kende vele verhalen uit de Arabische, de joodse en de christelijke traditie en ging daar op een zeer eigenzinnige wijze mee om. Hij kende de voornaamste theologisch kwesties en was een eersteklas theoloog. En hij was prima op de hoogte van wat er elders speelde – misschien niet van het allerlaatste nieuws, maar wél van waar het om draaide. Hij kende het idee van de zielenslaap, zo blijkt uit de Koran. En hij verbond daar de meest radicale consequentie aan: dat het bezoeken van graven, en het richten van gebeden tot de doden, zinloos was. Gezien zijn strikte monotheïsme lag dat volstrekt voor de hand.

In de christelijke kerk met zijn tradities had dat strenge standpunt geen schijn van kans. Ook Constantijn V kreeg geen poot aan de grond. Maar Mohammeds prediking betekende een nieuw begin. Na hem werd die radicale afwijzing een kenmerkend onderdeel van een nieuwe religie.

Marcel HulspasComment