Koning Paulus, de bedrieger
Zij zeiden: ‘Weest joden of christenen. U zult op de goede weg geleid worden.’ Zeg: ‘Nee, alleen de godsdienst van Abraham, de ware gelovige. Hij behoorde niet tot de afgodendienaars.’
(soera 2, vers 135)
Dat was de kern van de boodschap van Mohammed. De twee bestaande monotheïstische religies, jodendom en christendom, waren fout. Ze stamden allebei van Abraham, dat was waar, maar ze waren allebei afgeweken van de religie van deze aartsvader. Mohammed verkondigde opnieuw de ware religie. En hij nodigde joden en christenen uit om te erkennen dat hun geloof was afgedwaald, dat Mohammed een echte profeet die dat corrigeerde, en dat ze zich bij hem moesten aansluiten.
Maar wat was er dan precies misgegaan met die twee religies? Daarover lezen we in de Koran niet veel. De joden, dat is duidelijk, hadden zich in de loop van de geschiedenis zo vaak verzet tegen Gods geboden en tegen zijn profeten (zoals tegen Jezus, én daarna tegen Mohammed) dat God hen had vervloekt. De volgelingen van Jezus waren op een gegeven moment óók afgedwaald doordat ze Jezus hadden uitgeroepen tot ‘zoon van God’. Als straf hiervoor had God tweedracht onder hen gezaaid:
En ook met degenen die zeggen: ‘Wij zijn christenen’, hebben Wij een verbond gesloten, maar zij vergaten een deel van wat hun was voorgehouden. Toen stichtten Wij vijandschap en haat tussen hen. En dat zal duren tot de dag van de opstanding. God zal hun bekendmaken wat zij deden.’ (5:14)
Maar Mohammed was ervan overtuigd dat de christenen meer voor rede vatbaar waren dan de joden. Er waren christenen die in staat waren (of moesten zijn) om in te zien dat Mohammed een echte profeet was:
U zult de grootste vijandigheid tegenover de gelovigen vinden bij de joden en bij de afgodendienaars. En u zult de meeste sympathie voor de gelovigen vinden bij degenen die zeggen ‘Wij zijn christenen.’ Dat komt omdat er onder hen priesters en monniken zijn en die zijn niet arrogant. En als zij horen wat aan de boodschapper is geopenbaard, zult u zien dat de tranen uit hun ogen lopen vanwege hetgeen zij herkennen van de waarheid. Zij zullen zeggen: ‘Onze Heer, wij geloven. Schrijf ons daarom op bij de getuigen.’ (5:82-83)
De manier waarop deze godsvruchtige monniken leefden was hen niet opgelegd door God maar ontstaan uit hun verlangen naar God. Al waren volgens Mohammed niet alle monniken te vertrouwen:
Wij zonden Jezus de zoon van Maria na [de eerdere profeten] en Wij gaven hem het Evangelie. En Wij maakten het hart van degenen die hem volgden medelijdend en barmhartig. Maar het monnikenleven dat zij hebben ingevoerd – Wij hebben dat niet aan hen voorgeschreven – is alleen maar uit verlangen naar het welgevallen van God. Maar zij hielden zich niet waarlijk aan hun verplichtingen. Wij gaven diegenen van hen die geloofden hun beloning, maar velen van hen zijn overtreders. (57:27)
Tot zover de schematische mededelingen over de christenen in de Koran. Ze hadden Gods profeet ontvangen maar waren afgedwaald, en slechts een kleine minderheid volgde nog, in het geheim, de ware religie. Latere islamitische auteurs probeerden daar meer inhoud aan te geven. Wat was er dan precies misgegaan? En hoe waren de christenen nu precies uiteengevallen?
Om met dat laatste te beginnen, het beeld van het christendom in de eerste eeuwen is nu niet bepaald fraai. Er waren voortdurend theologische conflicten, vooral over de vraag of Jezus nu een mens was geweest of een god, of allebei tegelijk. Als gevolg van de vaak hoog oplopende ruzies over dit onderwerpen hadden in de vijfde eeuw eerst de Nestorianen zich afgescheiden, waarna in de zesde eeuw een diepe, onherstelbare breuk ontstond binnen de Kerk tussen de ‘diofysieten’ en de ‘monofysieten’. Met name deze breuk, waarbij de Byzantijnse keizers de kant kozen van de diofysieten (ook wel: melkieten), leidde tot veel geweld en heeft sterk bijgedragen aan de verzwakking van het Byzantijnse Rijk.[1]
Latere islamitische geschiedschrijvers werden geconfronteerd met deze tegenstellingen en hoorden vanuit christelijke kring ongetwijfeld verschillende versies van wat er was gebeurd. Een van die geschiedschrijvers was Al-Tabari (839-923; je zou hem de eerste echte Arabische historicus kunnen noemen). Al-Tabari geeft in een van zijn werken de volgende samenvatting van die conflicten, en hij doet dat opmerkelijk genoeg in de vorm van een uitspraak die Mohammed zélf zou hebben gedaan:
Zij die voor ons [gelovigen] waren vielen uiteen in 71 facties; drie bleven bestaan, de rest verdween. Een factie van de drie kwam overeen met [die van] de koning, en de factie streed met [een van de andere twee] vanwege het geloof van God en het geloof van Isa ibn Mariam [dwz. Jezus], en de koningen doodden hen. Een andere factie had niet het vermogen zich te verzetten tegen de koning en dus verkondigden ze het geloof stiekem onder hun volk, en de koning doodde hen. Deze factie verspreidde [hun opvattingen] door middel van geschriften. De laatste factie had noch het vermogen tegen de koning op te komen noch om het geloof in het geheim onder het volk te verkondigen. Dus gingen ze naar de woestijnen en de bergen en werden monniken.
Volgens deze ‘uitspraak’ (die wellicht inderdaad van Mohammed stamt) waren er dus drie stromingen: de ene werd geleid door de bloeddorstige keizer die de twee andere stromingen vervolgde; de een werd verslagen, een derde stroming van vreedzame gelovigen trok zich terug uit de bewoonde wereld en werden vrome monniken. Het is heel schematisch – maar waarschijnlijk was dat voor Al-Tabari en zijn tijdgenoten genoeg want het christendom was nu eenmaal een onbelangrijke dwaling.
Daarnaast was er een andere gebeurtenis, een waar de christenen de islamitische geschiedschrijvers uitdrukkelijk niét bij konden helpen, en dat was het ‘afdwalen’ van de christenen. Volgens de Koran was Jezus een echte profeet geweest en dus had hij de ware religie verkondigd. Dat wil zeggen de religie van Abraham, ofwel de islam. Als dat zo was (en de Koran had uiteraard gelijk), dan hadden de christenen Jezus’ boodschap verdraaid of waren ze die vergeten, en was zo het christendom ontstaan (dat vervolgens in stromingen uiteen was gevallen). Hoe was dat precies in zijn werk gegaan? Wie had hen misleid?
De christenen wezen dat idee dat ze misleid waren uiteraard af. De islamitische geschiedschrijvers moesten voor antwoorden op hun vragen ergens anders te rade gaan. Een van de eerste, Mohammed ibn Saib al-Kalbi (gest. 763), heeft ons de volgende verklaring nagelaten:[2]
De christenen volgden de islam gedurende 81 jaar na de hemelopname van Jezus, baden in de richting van de qibla en vastten gedurende ramadan. Toen brak er een oorlog uit tussen hen en de joden. Onder de joden was er een dapper man genaamd Paulus die velen van de volgelingen van Jezus doodde. Op een dag zei Paulus tegen de joden: Als Jezus de waarheid spreekt dan zijn we ongelovig geweest en zijn we bestemd voor de hel. Wij zijn de pineut wanneer zij de hemel in gaan en wij de hel! Hij had een paard genaamd Adelaar, waarmee hij ten strijde trok. Hij sneed zijn paard de pezen door, deed of hij berouw had [voor het doden van christenen] en strooide as op zijn hoofd. De christenen zeiden: ‘Wie ben jij?’ Paulus zei: ‘Jullie vijand. Ik ben vanuit de hemel toegeroepen: er is geen vergeving voor jou tenzij je christen wordt. Waarachtig, ik heb berouw.’ Ze namen hem mee in de kerk en hij stapte daarbinnen in een (kluizenaars) cel. Een jaar ging voorbij, en hij was niet naar buiten gekomen bij dag noch bij nacht, totdat hij het Evangelie had geleerd. Toen kwam hij naar buiten. ‘Ik ben geroepen [vanuit de hemel], God heeft jullie berouw geaccepteerd.’ Ze geloofden hem en hielden van hem. Daarna ging hij naar Jeruzalem…’
Wij kennen Paulus als de man die aanvankelijk de christenen vervolgde maar op een gegeven moment streng toegesproken werd door Christus, waarna hij een paar dagen doof en blind was, en vervolgens een van de meest actieve verkondigers werd van het nieuwe geloof. Daarbij deed hij opmerkelijke uitspraken die onder de apostelen niet echt goed vielen. Zo beweerde hij dat de volgelingen van Christus niet gebonden waren aan de Joodse Wetten. Die waren volgens hem met de komst van Christus achterhaald. Dezelfde Paulus duikt bij al-Kalbi dus op als een vechtjas en een bedrieger die de christenen doelbewust om de tuin leidde. En nadat hij hun vertrouwen gewonnen had, ging hij op reis.
Paulus zaaide tweedracht. In Jeruzalem wees hij een plaatsvervanger aan genaamd Nastoer ‘en leerde hem dat Jezus, Maria en God drie goden waren’. Daarna gaat hij naar Rome en zei tegen een man genaamd Jakob: ‘Christus was geen mens en geen geest maar hij was de zoon van God’. Daarna vertelde hij aan weer een ander, ene Malkaan, ‘God was en is Jezus’. Vervolgens riep hij deze drie mannen bij zich. Hij vertelde hen een voor een dat ze allemaal het ware geloof bezaten en voegde daaraan toe:
Morgen zal ik mezelf offeren en het volk aan jullie onderricht overlaten. Toen ging hij de offerplaats binnen en offerde zichzelf. Hij zei: Ik doe dit om Jezus tevreden te stellen. Op de derde dag riep elk van [de drie mannen] het volk op tot hun onderricht. Elk van hen volgde [stichtte] een sekte van het volk. De christenen vielen uiteen in drie facties: Nestorianen, Jacobieten en Melkieten. Ze gingen uiteen en bevochten elkaar.
Kortom, Jezus had de islam verkondigd, maar de joden pikten dat niet en hadden Paulus op pad gestuurd om hun geloof te vervormen en om verwarring te zaaien. Afdwalen en ruzie krijgen waren beide het werk van de bedrieger Paulus. In een andere versie van dit verhaal, van Al-Kalbi’s tijdgenoot Saif ibn Oemar al-Tamimi, wordt Paulus aan geduid als de koning van de joden maar verder op dezelfde wijze zwart gemaakt. Deze versie begint als volgt:
Paulus, die toen de koning was, doodde de christenen, en ze vluchtten. Toen volgde hij hun sporen tot hij de bergpassen bereikte. Zo werden zij [de joden] hen [de christenen] de baas.’
Om een definitief einde te maken aan het nieuwe geloof, nam Paulus zijn toevlucht tot een list:
Hij verliet zijn koninkrijk en trok hun kleding aan. Daarna volgde hij hen met de bedoeling hen te doen dwalen, totdat hij hun leger bereikte. Ze namen hem gevangen en zeiden: ‘Eer aan God die jou heeft vernederd en machteloos heeft gemaakt!’ Paulus antwoordde: ‘Breng me naar jullie leiders want ik ben niet zo dom dat ik zonder een teken kom.’ Toen brachten ze hem naar hun leiders, waarop ze zeiden: ‘Wat heb je te zeggen?’ Hij antwoordde: ‘Jezus bezocht me nadat ik bij jullie vertrokken was en nam van mij mijn gehoor, mijn gezichtsvermogen en mijn verstand. Ik hoorde noch zag noch dacht. Kort daarna genas hij mij en, bij God, liet mij zweren dat ik mij bij jullie zaak zou aansluiten, mij leven aan jullie zou wijden en jullie de Thora zou leren en zijn wetten.’ En zij geloofden dat hij de waarheid sprak. Paulus zei: ‘bouw voor mij een kluizenaarsgrot en bekleed deze met as.’ En ze bekleedden deze met as.
Pauls trok zich terug in zijn grot of hut; de christenen wachtten ongeduldig op wat komen zou. Na een paar dagen kwam hij tevoorschijn, met een door God ingegeven voorstel dat door de christenen enthousiast werd omarmd. Eerst stelde Paulus voor de gebedsrichting te veranderen. Een paar dagen later vertelde hij hen dat ze alles mochten eten (‘alles van de kever tot de olifant is halal’) en weer wat later vertelde hij de christenen dat ze nooit geweld mochten gebruiken. (‘Ze accepteerden dat en zwoeren het oorlog voeren af.’) Daarna riep hij vier mannen bij zich: Jakoeb, Nastoer, Malkoen en ‘de gelover’ (al-moemin). Aan hen vertelde hij dat Jezus zulke grote wonderen had verricht dat hij geen gewoon mens kon zijn geweest. Dat leidde tot grote verwarring:
‘Ik zeg U dat de allerhoogste God aan ons verschenen is en zich daarna voor ons verborg.’ Sommigen zeiden: u vertelt de waarheid. Een zei: ‘Hij [God] is Allah, en Jezus is zijn zoon,’ een ander zei: ‘Nee, hij is de derde van drie: Jezus de zoon, zijn vader en zijn moeder.’ De gelovige stond versteld en zei: Moge God jullie allemaal vervloeken Wat een ramp! Nee, bij God, hij [Paulus] probeert jullie alleen maar te verderven! […] Hij keerde zich af van Paulus en onderwees hen [zijn volgelingen].
De andere drie klaagden bij Paulus over het gedrag van ‘de gelovige’. Paulus gaf opdracht hem en zijn volgelingen te doden. Zij vluchtten echter naar Syrië, waar ze om bescherming vroegen:
‘We zijn naar jullie gevlucht om in jullie land bescherming te vinden. We hebben niets van deze wereld nodig. We zulle leven in grotten, op bergtoppen, en kluizenaarshutjes, zwervend over het platteland.’ De joden lieten hen met rust, en deze christenen vormden de rest.
De volgelingen van ‘de gelovige’ behielden het ware geloof (de islam) en werden kluizenaars. Ze vormden ‘de rest’, dat wil zeggen het kleine clubje christenen dat niet afgedwaald is van het ware geloof van Abraham en daarom door Mohammed geprezen werd.
We hoeven niet ver te zoeken naar de herkomst van het verhaal van ‘Paulus de bedrieger’. Dat moet afkomstig zijn uit de Toledoth Jeshoe, een joodse verzameling ‘verhalen over Jezus’. De Toledoth was waarschijnlijk nooit een echt afgerond boek; het is meer een overkoepelende naam voor een groot aantal manuscripten, meestal fragmenten, met antichristelijke vertellingen. Do resterende manuscripten dateren meestal uit de late middeleeuwen, maar uit allerlei verwijzingen door andere auteurs blijkt dat afzonderlijke verhalen uit de Toledoth al in de vijfde, zesde eeuw circuleerden en mogelijk zelfs al gebundeld waren. Neem het verhaal dat Jezus het onechte kind zou zijn geweest van een Romeinse soldaat genaamd Panthera. Dat verhaal komt voor in de Toledoth Jeshoe en het was bekend bij de heidense, tweede-eeuwse filosoof Celsus.
Die grove beschuldiging aan het adres van Maria past helemaal bij het karakter van de Toledoth Jeshoe. De haat spat ervan af. In de verschillende versies/fragmenten die bewaard zijn gebleven wordt Jezus neergezet als een tovenaar die het geheim van Gods naam stal en wonderen verrichtte door middel van zwarte magie. Uiteindelijk werd hij met hulp van de goede jood Judas en dankzij de magie van machtige rabbijnen in het nauw gedreven, opgepakt en opgehangen (‘aan een bonenstaak’). Na zijn dood zonden de rabbijnen ene Elija/Paulus uit om de christenen te misleiden. Paulus zorgde ervoor dat de joden die Jezus volgden in het verderf werden gestort. Hij leerde hen niet langer te rusten op de sabbat maar op zondag, om allerlei joodse feesten in te ruilen voor de christelijke feestdagen en om de joodse spijswetten af te schaffen (de Toledoth bevat dezelfde opmerking over kevers en olifanten). Kortom, hij zorgde ervoor dat de christenen volledig afdwaalden van het ware joodse geloof.
Paulus, de jood die had gezegd dat de joodse wetten niet golden voor christenen, was voor latere joden duidelijk de grootste boef. En ze deden hun uiterste best om de reputatie onderuit te halen. De Toledoth maakte onderdeel uit van een uitgebreide ‘ondergrondse’ (en nog maar nauwelijks bestudeerde) polemiek tussen joden en christenen. Islamitische auteurs als Al-Kalbi en Saif ibn Oemar hebben de verhalen over de bedrieger Paulus opgepikt van joodse vertellers, en vervolgens aangepast. Want ze konden dat materiaal goed benutten. In hun eigen versie was en bleef Paulus een jood en een bedrieger die handelde in opdracht van (of met toestemming van) de joden. Maar hij leidde de christenen niet weg van de joodse wetten en gebruiken maar van de ware boodschap van Jezus, de ware religie, de islam. Een sluwe bedrieger – dat is nog steeds de reputatie van Paulus binnen de islam.
[1] Omdat de diofysieten de steun van de keizer genoten, werden ze ook wel aangeduid als Melkieten’, naar ‘melek’, het Syrisch-aramese woord voor koning. Voor het uiteenvallen van de christelijke Kerk in deze eeuwen, zie mijn boek ‘Uit de diepten van de hel’.
[2] Geciteerd in andere werken, deze versie komt uit een werk van omstreeks 1400.