Een tweede Kaäba - in Jeruzalem

De Rotskoepel van Jeruzalem is gebouwd rond het jaar 692. Het is (voor zover bekend) het eerste door islamitische heersers gebouwde monumentale bouwwerk. De islamitische veroveraars die omstreeks 634 uit de woestijn waren opgedoken, hadden daarna ik korte tijd het Perzische rijk onder de voet gelopen en grote delen van het Byzantijnse rijk. Maar in die eerste decennia van de Arabische expansie overheerste vooral de chaos. Krijgsheren maakten lokaal de dienst uit; er was geen echt centraal gezag. Pas na 680, en dan vooral onder het bewind van kalief Abd al-Malik (685-705) ontstond er een samenhangend islamitisch rijk, met Damascus als hoofdstad. Abd al-Malik hervormde de strijdkrachten en de financiën en daarmee vergaarde hij voldoende financiële middelen om zijn macht zichtbaar ten toon te spreiden in de vorm van paleizen en moskeeën – en dus de Rotskoepel in Jeruzalem. Een schitterend gebouw dat nog steeds de skyline van de stad domineert. Maar het was geen paleis en het is ook geen moskee. Wat dan wél? De discussie hierover heeft de laatste jaren een interessante draai gemaakt.

De Rotskoepel was in elk geval een uitdaging. Ze was gebouwd over een immense rots waarvan gezegd werd dat Mohammed vanaf die plek naar de hemel was gereisd. Het gebouw stond boven de heuvel waar volgens de joden de Tempel van Salomo had gestaan en waar Gods tempel ooit zou herrijzen. Maar na 690 konden de Joodse onderdanen van de kalief daar een heel ander gebouw zien staan. En ze was ook een provocatie aan het adres van de christenen. Niet zozeer vanwege de plek, maar vooral vanwege de teksten. De Rotskoepel is van binnen en buiten versierd met teksten (Koranverzen en bewerkte Koranteksten) die er geen twijfel over laten bestaan dat er maar heeft géén God is en dat die géén zoon heeft, dat Mohammed zijn uitverkoren boodschapper was en dat Jezus een profeet was als alle anderen. Maar verder weten we niet waar het gebouw voor diende. Was de Rotskoepel niet meer dan een provocatie, een soort follie met een gouden koepel?

De auteur Al-Jakoebi, die leefde ná de tijd van Abd al-Malik, heeft ons een interessante suggestie nagelaten. Volgens hem had Abd al-Malik hele andere politieke en religieuze motieven. In die tijd, rond 690, was er een rivaal in het Zuiden genaamd Abdallah ibn al-Zoebair. Deze heerste over de heilige steden Medina en Mekka. Abd al-Malik en zijn onderdanen konden daardoor niet de door de Profeet aanbevolen bedevaart naar Mekka (de hajj) uitvoeren. Of beter gezegd, Abd al-Malik wílde niet dat zijn onderdanen dat zouden doen, want eenmaal daar moesten ze zich onderwerpen aan, of trouw zweren aan, Ibn al-Zoebair.

Volgens al-Jakoebi liet Abd al-Malik daarom de Rotskoepel bouwen. Zodat zijn onderdanen niet naar Mekka hoefden te gaan maar de rituelen die werden uitgevoerd rondom de Kaäba, in Jeruzalem konden uitvoeren.  Dat ging uiteraard lijnrecht in tegen (in elk geval de geest van) de Koran. Mohammed had immers vastgelegd dat dat in Mekka moest gebeuren – en daarmee was dat ook eigenlijk de énige plek waar dat mocht gebeuren. De verklaring van Al-Jakoebi werd lange tijd geaccepteerd, totdat de islamoloog Shelomo Dov Goitein (1900-1985) twijfel zaaide. Hij wees erop dat Al-Jakoebi een sjiiet was. Mogelijk had hij dat verhaal verzonnen om Abd al-Malik (die de sjiieten had vervolgd) zwart te maken. En bovendien, als dat waar was, dan was dat zó’n grote inbreuk op de Koran… zoiets zou Abd al-Malik nooit hebben gedurfd. Goitein hield het er dus op dat de Rotskoepel een stenen provocatie was, bedoeld om de joden en christenen duidelijk te maken welk volk (en welk geloof) voortaan de baas was. En hij vond gehoor. Zijn opvatting werd al snel algemeen aanvaard, tot zeer recent. (Ik heb die opvatting ook opgenomen in mijn boek over het ontstaan van de islam.) Maar recente tekstvondsten duiden erop dat Al-Jakoebi misschien niks heeft verzonnen maar het juist bij het rechte eind had.

Wat voor enige verwarring zorgt, is het feit dat het nabootsen van de rituelen rond de Kaäba ‘in den vreemde’ geen onbekend verschijnsel was. Vele oude bronnen melden dat de Arabieren in de garnizoenssteden als Koefa, Basra en Foestat, maar ook in Medina, op de negende dag van de heilige maand, de maand van de hajj, in die steden een belangrijk onderdeel van de hajj uitvoerden, de woeqoef, het stil staan vanaf het middaguur tot aan zonsondergang. (In Mekka zijn de ogen dan gericht op de berg Arafat). Zo konden ze aan (een deel van) hun religieuze verplichtingen voldoen, zonder dat ze daarvoor massaal hun standplaats moesten verlaten – wat natuurlijk ernstige gevolgen zou kunnen hebben. Andere Mekkaanse rituelen werden daar bewust niet uitgevoerd. Dat zou te vergaan. (Veel imams vroegen zich af of die woeqoef eigenlijk wel mocht.) Wie het volledige ritueel wilde uitvoeren, moest maar naar Mekka gaan. Dat gold in het bijzonder voor misschien wel het bekendste ritueel: het zeven keer omcirkelen van de Kaäba. En daarmee zijn we bij het verschil tussen die andere steden en Jeruzalem: Al-Jakoebi suggereert dat dit laatste ritueel nu juist wél werd uitgevoerd in Jeruzalem, en wel rond de Rotskoepel. Hij stelt dat Abd al-Malik zijn onderdanen had opgedragen om dat te doen, zodat ze niet naar Mekka hoefden te gaan. Abd al-Malik zou met de Rotskoepel dus een tweede religieus centrum hebben willen scheppen. Een tweede Mekka. Maar, zoals gezegd, Goitein kon dat niet geloven, en hij wist velen te overtuigen. De laatste jaren echter lijken de opvattingen weer te draaien. Dat komt door twee ontwikkelingen.

 

Ten eerste zijn er inmiddels vele andere bronnen opgedoken die bevestigen wat al-Jakoebi schreef. Onverdachte, niet-sjiitische bronnen die duidelijk onafhankelijk zijn van het werk van al-Jakoebi. Het kan dus niet zo zijn dat hij dat (persoonlijk) heeft verzonnen. Daarnaast is er de laatste jaren veel belangstelling voor een verzameling teksten die bekend staan als Fadaa’il al-Quds (‘Lof voor de heilige’, dat wil zeggen Jeruzalem, of Fadaa’il Bayt al Maqdis, voor de tempel in Jeruzalem). Deze Fadaa’il beschrijven hoe bijzonder en uniek Jeruzalem is. De teksten doken pas in de elfde, twaalfde eeuw op, waarschijnlijk omdat Jeruzalem toen het middelpunt werd van een serie oorlogen, onder andere met de Kruisvaarders. Jarenlang is dan ook gedacht dat die teksten óók uit die eeuwen zouden dateren. Maar onderzoek heeft aangetoond dat grote delen daarvan veel ouder moeten zijn, en overgeleverd zijn uit de tijd van Abd al-Malik.

Verschillende van die Fadaa’il geven een uitgebreide beschrijving van de Rotskoepel, hoe schitterend deze was ingericht, en ze beschrijven ook de uitgebreide rituelen die daar werden uitgevoerd. Gewone gelovigen konden het gebouw betreden op maandag en donderdag. Op andere dagen mochten alleen speciale medewerkers naar binnen. Dat waren er driehonderd, en ze moesten zich voordat ze het gebouw konden betreden, eerst grondig reinigen en daarna speciale zijden kleding aantrekken. Deze mannen bereidden geurige oliën waarmee ze de rots in het midden van het gebouw inwreven, en waarmee de lucht werd geparfumeerd. Daarnaast waren er joodse en christelijke slaven in dienst, voor de verrichting van meer aardse of zelfs afstotelijke taken, zoals het schoonmaken van het gebouw en het plein eromheen. De teksten leggen een direct verband tussen de rots onder de koepel en de Kaäba in Mekka. Daarnaast was er nog een grote zwarte steen bij de noordelijke ingang van de Rotskoepel (al-Balaata al-Sawdaa, ‘de zwarte steen’) en deze wordt in deze teksten gelijkgesteld aan de bekende zwarte steen die in een van de hoeken van de Kaäba is ingemetseld.

Dat alles duidt erop dat Al-Jakoebi (en de andere auteurs) gelijk hadden. Abd al-Malik had waarschijnlijk inderdaad politieke motieven om de Rotskoepel neer te zetten. Het ging om een heiligdom gebaseerd, of geïnspireerd op de Kaäba in Mekka, en wellicht gelijkwaardig aan de Kaäba. De plechtige verzorging en verering van de rots deed in elk geval niet onder voor de behandeling van de Kaäba. Daarmee was Jeruzalem net zo heilig als Mekka. Ook dáár konden moslims voortaan bijenkomen om aan hun religieuze verplichtingen te voldoen. Een zeer ‘ketters’ gebouw. Het werk van een ongelovige, zou je kunnen zeggen. De vraag is dan natuurlijk: wat wás het geloof, wat wás de islam, ten tijde van Abd al-Malik?

 

Wel, de islam zoals we die nu kennen is juist voor een belangrijk deel de schepping van Sbd al-Malik. Hij was het die de regels formuleerde die we nu met de islam associëren. (Voor meer details moet ik naar mijn boeken verwijzen.) Het is duidelijk dat hij daarbij tegenstand ondervond van vele gelovigen, Koranvoorlezers, imams, et cetera, maar Abd al-Malik regeerde met harde hand en het grootste deel van de geestelijken en de voornaamste geleerden waren loyaal aan de kalief, want ze waren bij hem in dienst. Abd al-Malik beschouwde zichzelf daarbij als het hoogste geestelijke gezag. In geval van twijfel had hij het recht om het finale oordeel te vellen. Hij was immers de khalifat Allah, Gods vertegenwoordiger op aarde. En daarmee stond hij in principe boven Mohammed. Verschillende tradities (overgeleverde verhalen) suggereren dat zijn bestuurders en ambtenaren tegenstanders duidelijk maakten dat iedereen Abd al-Malik moest gehoorzamen want een vertegenwoordiger (van God) had immers veel meer gezag dan een boodschapper (van God). Die verhalen kunnen dateren van veel later, uit de tijd dat Abd al-Malik afgeschilderd werd als een arrogante, hebzuchtige ongelovige. Maar de toon van deze tradities past bij de historische werkelijkheid. Het is zonneklaar dat Abd al-Malik, in zijn streven een islamitisch rijk te grondvesten, zich niet liet tegenhouden door een stelletje dwarse islamitische geleerden. De titel ‘plaatsvervanger van God’ geeft zijn opvatting over zijn rol goed weer. Het idee dat hij de Rotskoepel liet bouwen als een tweede Kaäba, past daar bij. Pas na zijn dood in 705, en na de val van zijn dynastie, die der Oemmayaden, in 750, werden de theologische teugels steeds strakker aangetrokken, en moesten de wereldlijk leiders steeds meer buigen voor het geestelijk gezag.

 

De Rotskoepel heeft die functie van ‘tweede Kaäba’ overigens maar korte tijd gehad; ibn al-Zoebair werd al snel verslagen en het ligt voor de hand dat de gelovigen daarna gewoon weer de voorkeur gaven aan Mekka. Wat resteerde, was een schitterend gebouw dat geen rituele functie (meer) had. Aan slopen dacht blijkbaar niemand, naderhand. En dus kunnen we nu, dertienhonderd jaar na dato, nog steeds genieten van de Rotskoepel. Ook moslims vereren het gebouw. Maar het is dus waarschijnlijk een (volgens de huidige islamitische opvattingen) zeer bedenkelijke schepping, een ‘ketterse’ kopie van de Kaäba.

 

 

Verder lezen:

https://www.academia.edu/11683232/Abd_al-Malik_and_the_Dome_of_the_Rock_by_Amikam_Elad

 

Marcel HulspasComment