Waarom ik 'Uit de diepten van de hel' moest schrijven

Ik heb dit boek geschreven omdat het geschreven móést worden. Omdat het een geweldig verhaal is en omdat over de gebeurtenissen in deze periode (van maar liefst rond de vijf eeuwen) geen enkel populairwetenschappelijk boek bestaat. Er is genoeg vakliteratuur, er zijn ook heel wat academische studies verschenen, maar een populairwetenschappelijk boek heb ik nooit ontdekt. Wie in een doorsnee boekhandel op het plankje ‘oude geschiedenis’ of ‘klassieke geschiedenis’ of ‘middeleeuwen’ naar deze eeuwen gaat zoeken, zal eerst veel aantreffen over de oude Grieken en het Romeinse rijk rond het begin van de jaartelling, en met enig geluk daarna nog wat over beroemde keizers als Diocletianus en Constantijn (beide rond 300), maar daarna valt een gat van eeuwen, en springt het aanbod ineens naar Karel de Grote (rond 800) en direct daarna naar de hoge middeleeuwen, na het jaar 1000. Zo’n vijf eeuwen geschiedenis lijken totaal vergeten te zijn. En dat is onterecht, zo niet onvergeeflijk. Want juist in die eeuwen, in de periode 300 tot 800, ging het Romeinse rijk ten onder, ontstond de islam en zien we de opkomst van West-Europa. Er valt genoeg te beleven, te schrijven – en het gebeurt niet. Waarom?

Het geschiedenisonderwijs is al niet veel beter dan de boekhandel. Dat wordt vanouds gedreven door traditie en nationalisme. De traditie stelt dat het onderwijs veel aandacht moet besteden aan de klassieke geschiedenis, aan de Grieken als uitvinders van kunst, wetenschap en democratie, en aan de Romeinen als brengers van de beschaving. Dit alles ter voorbereiding op het gymnasium, het ‘hoogste’ hoger onderwijs voor de beste leerlingen, die dan nóg meer van hetzelfde kunnen krijgen. Deze klassieke onderwijstraditie kijkt daarbij niet verder dan de (lang geleden gedefinieerde) ‘hoogtepunten’ van de beide culturen – en dat is dan Athene ten tijde van Pericles en (wat de Romeinen betreft) de tijd van Julius Caesar en Augustus. Alles wat daarvoor speelde, daarbuiten en daarna, is niet echt interessant. Want geen ‘hoogtepunt’. Op zijn beurt zorgt het nationalisme weer voor andere oogkleppen. Het aankweken van nationaal bewustzijn en vaderlandsliefde vereist het vertellen van het ‘verhaal’ van Nederland. Dus na een kort stilstaan bij de oudste oerbewoners en de dappere opstand van Cladius Civilis tegen het Romeinse gezag, gaat het snel naar rond het jaar 1000. Uitgevers continueren de lacune geschapen door het onderwijs. Het onderwijs schept onwetendheid; de uitgever publiceert het liefst boeken over onderwerpen waarover de lezer al heeft gehoord. Alles wat daarbuiten valt, verkoopt immers niet.

Gelukkig valt dit boek daar wél buiten. Met alle risico’s van dien. De argeloze potentiële koper zal na het lezen van de titel (‘Uit de diepten van de hel’) en de ondertitel (‘Keizers, bisschoppen, ketters, het verval van het christendom en de opkomst van de islam’) in verwarring achterblijven. Waar gaat dit boek over? Keizers, bisschoppen… over de Middeleeuwen? En dat verval van het christendom… over de negentiende eeuw of zo? De opkomst van de islam? Wanneer was dat? Ook de negentiende eeuw? (De ervaring heeft mij geleerd dat de gemiddelde Nederlander geen flauw idee heeft wanneer de profeet Mohammed leefde.) Gelukkig biedt de tekst op de achterkant meer houvast. Het boek gaat blijkbaar over de vierde tot negende eeuw. En ik beloof de lezer een ongelofelijk verhaal, zoals hij of zij dat nog nooit heeft gelezen. En daar is geen woord van overdreven. Bij het onderzoek voor dit boek stuitte ik op een zee aan mooie verhalen. Goed voor twintig historische romans en tien dramatische opera’s. Ik kan ze in mijn boek helaas vaak niet meer dan samenvatten.

Maar ik wil meer dan een goed verhaal bieden. Ik hoop een aantal misverstanden uit de weg te ruimen, of in elk geval een flinke dreun te verkopen. Want het is onvermijdelijk dat het schrijven over een tijdvak dat zó ernstig is verwaarloosd, gedomineerd wordt door vlotte, gemakzuchtige opvattingen, bedoeld om snel klaar te zijn en en passant die verwaarlozing te rechtvaardigen. Ik noem er een paar.

Ten eerste is er dus de opvatting dat deze periode cultureel ‘laagstaand’ en niet interessant zou zijn. In beschrijvingen van het Byzantijnse rijk (de aanduiding voor het Romeinse rijk ná de val van Rome in 451) vallen geregeld termen als ‘stagnatie’, ‘herhaling’ en verval’. U begrijpt, de auteur wil snel verder. Het gaat hier, zoals aangegeven, om een overblijfsel van het oude romantische denken in termen van ‘beschavingen’ die een opkomst, bloei en neergang zouden kennen en waarbij alleen de opkomst en bloei serieuze aandacht verdienen. (Want groeien en bloeien, de hoogste kunst en literatuur – daar gaat het toch om?! (Dat wil zeggen, dat is het streven van de natiestaat en dus het centrale thema van filosofie en onderwijs.) Deze opvatting is uiteraard bijziende en gelukkig ook zwaar verouderd. Historici zijn tegenwoordig veel beter in staat om elke cultuur en elk tijdperk (ook buiten Europa) op zijn eigen merites te beoordelen, en doen hun best morele oordelen als ‘verval’ te vermijden. Maar het is opvallend dat als het gaat om het Byzantijnse rijk die ouderwetse visie nog heel vaak naar voren komt. In mijn visie is het Byzantijnse rijk net zo interessant en indrukwekkend, net zo corrupt en ‘vervallen’ als Rome ten tijde van Caesar. En wordt het hoog tijd om het verhaal van dat rijk te vertellen. God zij dank zit de ‘byzantologie’ de laatste decennia in de lift. Maar dat is nog nauwelijks doorgedrongen tot het grote publiek. Mijn boek kan daar hopelijk iets aan bijdragen.

 

Dan is er dat andere cliché, dat de latere keizers allemaal losers waren, vergeleken bij de ’grote’ keizers uit de eerste eeuwen van het rijk. (Die dus veel interessanter zouden zijn!). Deze klacht is natuurlijk een variant op de hierboven al genoemde ‘verval’-hypothese. Edward Gibbon schrijft het met zoveel woorden in zijn beroemde Decline and Fall of the Roman Empire: wat nou Arabische veroveraars?! Échte keizers hadden wel raad geweten met die fanatiekelingen uit de woestijn! Burke legt de schuld voor dit verval van het keizerschap bij de opkomst van tirannie en van het christendom. Dát waren namelijk de gevaren waarvoor hij zijn ‘verlichte’ lezers wilde waarschuwen. Zijn analyse is verouderd; en dat van die slappe keizers is onzin.

Je hebt altijd krachtige en minder krachtige, indolente en (hyper)actieve heersers. Dat geldt voor de eerste eeuw van het Romeinse keizerrijk én de latere. Het kost geen moeite om een lijst te maken van de vroege keizers die als crimineel, geestelijk gestoord of gewoon slappeling de geschiedenis in zijn gegaan. En dat kan ook met late keizers. Maar juist in die vijf eeuwen waren er zeer krachtige heersers, zoals Theodosius (rond 450), Justinianus (rond 550), Maurikios (rond 600) en Heraclius (rond 630). Met name de laatste verdient vermelding als een van de meest effectieve en (in militair opzicht) geniale keizers die het rijk ooit heeft gekend. Heraclius slaagde erin (als eerste, en met geniaal tactisch inzicht) om de oude aartsvijand van het rijk, het Perzische rijk, na een lange, uitputtende oorlog, op de knieën te dwingen. En hij is bij uitstek de tragische held van mijn boek. Kort na deze ongelofelijke overwinning kreeg hij te maken met de Arabische invasies. Waar het Heraclius aan ontbrak was niet moed, inzet, doortastendheid of militair inzicht, maar simpelweg de economische en militaire middelen om, zo kort na de Perzische oorlog, deze nieuwe aanvallers te weerstaan.

En dan zijn er die Arabieren die vanaf 630 noordwaarts kwamen. Het oude cliché luidt dat het woeste fanatiekelingen waren die van niks wisten, alleen maar van roof en moord. En dat ze niet te stuiten waren omdat ze dachten dat ze, als ze sneuvelden, direct naar de hemel zouden gaan waar tientallen maagden hen stonden op te wachten. Dat cliché kun je, meestal in licht verdunde vorm,. Nog overal aantreffen. En het was en is natuurlijk heel bevredigend voor West-Europeanen. ‘Wij’ zijn beschaafd, ‘zij’ zijn barbaren. Geweld, daar is cultuur niet tegen opgewassen. En godsdienstig fanatisme, daar moet je altijd voor oppassen! Het aardige is nu juist dat het onderzoek naar de vroege islam de laatste jaren sterk in opkomst is, en dat recent onderzoek dat beeld van die woeste religieuze fanatici inmiddels in de vuilnisbak der geschiedenis heeft gedeponeerd.

Wreed waren ze, dat zeker. Het islamitische cliché van de brave verkondigers/bevrijders die de ware religie brachten, mag in dezelfde vuilnisbak. Maar de Arabieren waren geen hersenloze bedoeïenen vers uit de woestijn. Velen hadden ruime gevechtservaring in Byzantijnse of Perzische krijgsdienst. Bovendien, de christelijke Arabische stammen (een flink deel van de Arabieren was bekeerd), deden maar al te graag mee. En wat de niet-christelijke Arabieren betreft, dat waren geen moslims. Ze waren , zo blijkt uit de vroegste bronnen en inscripties, niet of nauwelijks op de hoogte van wat Mohammed had gezegd of van het bestaan van de Koran. Ze wisten alleen maar dat de Arabieren sinds kort (na eeuwen van onderlinge verdeeldheid) verenigd waren, dat ze de God van hun voorvader Abraham moesten vereren en dat God dan aan hun kant vocht.

Datgene wat wij ‘islam’ noemen ontstond pas veel later, zo rond het jaar 600, toen kalief Abd al-Malik vond dat de Arabische overheersers een echte Arabische religie moesten hebben, compleet met een profeet, een boek, voorschriften, eigen ‘kerken’ en ga zo maar door. Dat gebeurde dus pas zestig jaar na de dood van Mohammed. De veroveraars waren geen moslims. Ze vonden gewoon dat ze Gods nieuwe uitverkoren volk waren. Dus vielen alle rijkdommen van de aarde aan hun toe. Ze hoefden ze alleen maar te veroveren.

En dan is er nog iets: de rol van religie. Laat ik daar kort over zijn, want in mijn boek komt dat uitgebreid aan de orde. De jaren 300 tot 700 waren een tijd van grote theologische tegenstellingen bínnen de christelijke Kerk. Dat klinkt als een compleet ander onderwerp, en wanneer je de literatuur hierover bestudeert, wordt die indruk snel bevestigt. Boeken over de geschiedenis van Rome/Byzantium geven nauwelijks aandacht aan deze kwesties. Het gaat over keizers en hun oorlogen, bestuurders en huurlingen, sinds kort ook over klimaatverandering rond 530, maar die theologische twisten: nooit. En de theologische werken die juist wél hierover gaan, suggereren vooral dat het hier ging om geruzie tussen kerkvaders die elkaar met ingewikkelde formuleringen bestookten en waarbij zo nu en dan, helaas, bloed vloeide. Gelukkig, uiteindelijk lag in de vijfde eeuw de theologie vast – einde verhaal.

In mijn boek vertel ik een ander verhaal. Ik ga uitgebreid in op de theologische discussies (dat zijn niet de eenvoudigste stukken) en wijs erop dat het geloof voor iedereen, van boer tot keizer, van enorm groot belang was. En dat de twisten daarover dus ook van groot belang waren. Het juiste gebed, de juiste rituelen – dat was in die eeuwen écht een zaak van hemel of hel, eeuwig leven of de eeuwige dood. Daar komt bij dat iedereen, maar vooral de hoogste bestuurders, er diep van doordrongen waren dat het welzijn van het rijk direct én volledig afhankelijk was van Gods genade, en dus van het juiste geloof én de juiste praxis. Verwarring, discussie, ketterij… dat soort zaken vormden een bedreiging voor het hele rijk. God zou dat niet accepteren; hij zou de zondaars straffen én iedereen die de zondaars hun gang liet gaan. En als vertegenwoordiger van God op aarde had de keizer de plicht om daar snel en doortastend tegen op te treden. Dat deden ze dan ook regelmatig. Keizers waren zeer veel tijd kwijt aan theologische geschillen – en dat vond iedereen niet meer dan logisch. Maar die twisten in combinatie met de harde hand van het gezag, hadden fatale gevolgen. Ketterse opvattingen lieten zich niet onderdrukken. En het keizerlijk gezag werd synoniem voor onderdrukking, het werk van de duivel. Zo tegen het jaar 600 dreven verschillende delen van het rijk in theologisch opzicht onherroepelijk uiteen. En verloor de keizer in grote delen van het rijk zijn gezag. Mijn stelling is dat theologische strijd in het verhaal van de ondergang van het Romeinse rijk de plaats moet krijgen die het verdient, namelijk de plaats waar het ooit plaatsvond: in het hart van het rijk. Die bittere strijd heeft volgens mij een zeer grote bijdrage geleverd aan de verzwakking van het Byzantijnse rijk – minstens zo groot als de langdurige Perzische oorlog.

Ik hoop, kortom, dat ik de lezers van mijn boek weet te boeien, te vermaken, te verbazen en te ontroeren. En daarbij dat ik ze weet te overtuigen van een compleet andere visie op deze ongelofelijk interessante, turbulente tijden.

Uit de diepten van de hel’ verschijnt deze week.

Marcel HulspasComment