Kan de traditionele islam zichzelf hervormen?

Dat de islam in een crisis verkeert, daar is iedereen inmiddels wel van doordrongen – ook binnen de islamitische wereld. De vraag is vanuit welke richting ‘de’ islam (het blijft een in wezen absurd abstracte discussie) een oplossing kan verwachten. Simpele historische schema’s lijken dan uitkomst te bieden. Volgens menigeen wordt het tijd dat er een islamitische Luther opstaat. Iemand die de noodzakelijke hervorming kan inleiden. Maar volgens de Duitse islamoloog Simon Wolfgang Fuchs (NRC, 1 augustus) is het daarvoor al te laat is. Hij vestigt zijn hoop juist op de traditionele islamitische geleerdheid – maar dan wel graag losgekoppeld van elke staatsmacht.


Die roep om een tweede Luther is wat merkwaardig. Een hervorming van de islam zou een einde moeten maken aan het terrorisme binnen en buiten de islamitische wereld, maar het optreden van Luther 


betekende juist dat het religieus bloedvergieten in Europa goed kon beginnen. Vele hervormers en hervormingsvoorstellen waren hem (en zijn Stellingen) vóórgegaan. De meeste van hen zijn inmiddels vergeten, en het woordje 'hervorming’ wordt nu direct geassocieerd met de radicale Maarten Luther, omdat die na 1517 voor een politieke explosie zorgde. De nieuwe 'protestantse’ religie werd het vaandel waaronder steden en edelen het Habsburgse juk van zich af durfden te werpen. Luther bracht geen vrede; zijn naam zou synoniem moeten zijn met anderhalve eeuw bloedvergieten, en zeker niet met verdraagzaamheid. Die kwam pas véél later.

In zijn opiniestuk stelt Fuchs ten eerste dat deze roep om een nieuwe Luther 150 jaar te laat komt, want de enige echte periode van religieuze gisting in de islamitische wereld ligt al anderhalve eeuw achter ons. In die tijd dreigde de revolutie van twee kanten: je had de nationalistische vernieuwers, en je had de salafisten. Beide stromingen hadden hetzelfde doel: de islamitische wereld zijn eenheid en oude trots teruggeven. De eerste wilden daarvoor, naar westers model, de macht van de geestelijken beperken; de tweede groepering droomde van een renaissance via een islamistische wedergeboorte, een 'terug naar Mohammed’. Maar voor de goede orde: dat gemeenschappelijk streven naar een wederopstanding van de islamitische wereld, bevrijd van het juk der westerse ongelovigen, heeft niks te maken met het streven dat in de zestiende eeuw de Hervorming voortbracht. Fuchs bewering dat er vooral toen een Luther had kunnen opstaan, hangt dus behoorlijk in de lucht. De tijden waren echt totaal anders.

Hoe dan ook, daarna, gedurende de twintigste eeuw, ontstond in veel postkoloniale staten een wankele symbiose tussen het nationalisme en het traditionele islamitische gezag. Maar die samenwerking heeft uiteindelijk geen welvaart en dus geen zelfrespect gebracht, en staat nu ernstig onder salafistische druk. Hebben de scherpslijpers van Hamas, van de Broederschap en IS het dan nu voor het zeggen? Domineren zij de komende decennia de discussie over de toekomst van de islam? Fuchs hoopt van niet. Hij hoopt op een wederopleving van de traditionele islamitische geleerdheid:

'In de publieke opinie van westerse staten wordt een belangrijke alternatieve bron voor zulke discussies binnen de islam meestal over het hoofd gezien: de complexe en veelzijdige traditie, die onder meer uit juridische opinies en korancommentaren bestaat, en zich eeuwenlang heeft opgetast. Voor het werken daarmee is niet alleen geduld en intensieve training nodig, maar juist ook de wedergeboorte van traditionele geleerdheid, en een vernieuwing van het aanzien en de invloed van religieuze geleerden, zich onttrekkend aan de verstikkende controle van autoritaire staten.’

En even verderop:

'Van geleerden van dit type is geen bliksemsnelle radicale hervorming of de schepping van een of andere “euro-islam” te verwachten, maar wel flexibiliteit, een nadruk op het algemeen belang en het mogelijk maken van een goed samenleven van moslims en niet-moslims, waaraan alle islamitische rechtsscholen altijd waarde hebben gehecht.’

Fuchs roept zijn lezers op de ogen niet te sluiten voor de 'conservatievere, zachtaardiger en daardoor onder bepaalde omstandigheden zelfs creatievere hervormingsplannen van traditionele geleerden’. Hij geeft daarbij geen voorbeelden. Maar we moeten geduld hebben. Nu luidkeels roepen dat het hoog tijd wordt voor hervormingen zou 'contraproductief’ zijn, aldus de laatste zin van zijn opiniebijdrage.

Moeten we rustig wachten op de traditionele theologen? Kunnen zij zich losmaken van dictators als Assad en Sisi en de islam hervormen? Zit er een interessante speelruimte in de traditionele opvattingen? Fuchs maakt wat dat betreft de merkwaardige opmerking dat 'alle rechtsscholen’ van de islam in ieder geval belang hechten aan het 'goed samenleven’ van moslims en niet-moslims. Laten we dat punt eens nader bekijken.

Er zijn vier rechtsscholen binnen de islam, alle vier ruim duizend jaar oud, waarvan er één, de Hanafi, verreweg de belangrijkste is. Het bestaan van die scholen wordt vaak aangehaald om aan te geven hoe ruimdenkend de islam was, of is, maar de vier verschillen slechts in abstract-methodologische termen; in de juridische praktijk zijn de verschillen minimaal. Waar het hier om gaat is dat ze dateren uit een tijd waarin staat en religie idealiter samenvielen. Waarin er dus geen verschil was (of mocht bestaan) tussen religieus recht en staatsrecht – bijvoorbeeld wat betreft de omgang met niet-moslims (lees: joden en christenen). En de omgangsregels die de scholen op basis van de koran en de traditie ontwierpen, en nog steeds hanteren, zijn bepaald niet mals.

De beroemdste Hanafi-rechtsgeleerde, al-Halabi (hij leefde rond 1550), maakt duidelijk dat de relatie tussen moslims en niet-moslims principieel overeenkomt met een toestand van oorlog. Vriendschap is onmogelijk. Niet-moslims moeten gedood, of moeten zich bekeren, of moeten zich onderwerpen. In dat laatste geval mogen ze conform een fictief verdrag (dhimma) leven te midden van moslims. Niet-moslims moeten herkenbaar zijn aan hun kledij. Ook hun woningen moeten herkenbaar zijn (zodat de vrome moslim ze kan mijden) en ze mogen ook niet hoger mogen zijn dan de woningen van de meest nederige moslim. Openbare demonstraties van hun geloof zijn verboden, evenals het bouwen van nieuwe kerken of synagogen. Alle niet-moslims zijn als groep middels de dhimma onderworpen aan de islamitische heerser. Hun verblijf is een gunst, en al-Habali geeft duidelijk aan dat ze bij het betalen van de hun opgelegde extra belasting heel duidelijk hun dankbaarheid en nederigheid moeten tonen. 'Loslopende’ niet-moslims, die niet verbonden zijn aan een dergelijke groep (handelaren, zwervers, reizigers) zijn binnen de Hanafi-wetstheorie vogelvrij. Als hij of zij geen 'beschermer’ weet te vinden, mag elke moslim hem beroven of doodslaan. Verder mag een moslim-man een ongelovige vrouw trouwen (die dan uiteraard het geloof van haar man aanvaardt), maar andersom (niet-moslim man trouwt moslima) is ondenkbaar. Enzovoorts.

Het werk van al-Halabi geldt als zeer gezaghebbend binnen de Hanafi-school, en de andere scholen zijn het op dit punt van omgang met ongelovigen volledig met de Hanafi eens. De vraag is in hoeverre dergelijke opvattingen, zoals Fuchs doet, omschreven kunnen worden als 'goed samenleven’.  Goed voor moslims was het zeker. Dat was ook de bedoeling achter deze wetgeving. En het gaat hier om fundamentele opvattingen. Om omgangsvormen direct gebaseerd op de claim dat moslims het enige juiste geloof bezitten. Wij, moslims, zijn hier de baas en hebben altijd gelijk. Zij, ongelovigen, hebben ongelijk, zijn ondergeschikt en mogen op z'n best worden getolereerd. Wie daar vraagtekens bij zet, komt direct aan de claim dat Mohammed de laatste en enige echte Profeet was.

Die ongelijke, vernederende behandeling vloeit binnen de rechtsscholen direct voort uit de theologie. Het échte probleem zit dus dieper. Als er een 'hervormde’ islam moet komen die inderdaad waarde hecht aan 'goed samenleven’ van moslims en niet-moslims (blijkbaar vindt Fuchs dat ook), dan vereist dat een loslaten van het uitgangspunt dat de koran en de traditie niet alleen het religieuze recht bepalen (waaraan uitsluitend gelovigen zich hebben te onderwerpen) maar ook het staatsrecht (waar ook niet-moslims onder gebukt gaan). Dan zal men moeten accepteren dat niet alle wetten van God en Zijn Profeet (en de traditie) komen, maar dat ook de mens (moslim en niet-moslim) wetten kan maken. Die stap is voor de traditionele scholen ondenkbaar. Daarmee vervalt immers het fundament onder hun methoden en tradities.

Als het gaat om veranderingen richting universele menselijke waarden, hebben we van die traditionele geleerdheid dus weinig te verwachten. Hooguit cosmetische voorstellen die het leven der onderworpen draaglijker kunnen maken. Voorstellen zoals in de islamitische wereld, in tolerantere tijden, wel werden gedaan. Maar net zo goed werden in tijden van strijd en paniek de meest hardvochtige maatregelen verzonnen. Nee, in rechtsscholen die daarop zijn gebaseerd, daar valt voor ongelovigen geen recht te halen. Voor hen is gelijkwaardig samenleven altijd onmogelijk. De impulsen voor fundamentele veranderingen zullen toch écht van elders moeten komen.

Marcel HulspasComment