Een heerlijke maaltijd uit de goddelijke keuken

Een heerlijke maaltijd uit de goddelijke keuken

 

Jezus geldt in de islam als een belangrijke profeet. Hij wordt in de Koran een aantal keren genoemd. Maar christenen zullen in die korte vermeldingen niet snel de man herkennen die ze kennen uit het Nieuwe Testament. Zo kon Jezus volgens de Koran als kind vogeltjes van klei tot leven wekken. En volgens de Koran is Jezus niet aan het kruis gestorven maar werd hij op het laatste moment door God gered. De boodschap van Jezus, zoals te vinden in het Nieuwe Testament, komt in de Koran nergens voor. En wat ook opvalt, is dat de wonderverhalen die in de vier evangeliën zo’n grote rol spelen, in de Koran vrijwel volledig ontbreken. Dat laatste is niet geheel onbegrijpelijk; omstanders vroegen Mohammed geregeld of hij een wonder kon verrichten. Als hij ook door God gezonden was, moest hij dat toch kunnen? Maar Mohammed moest bekennen (en dat staat ook in de Koran) dat hij daar niet toe in staat was. Dus waarom zou hij dan in zijn toespraken en preken uitweiden over de wonderen die Jezus had verricht? De wonderen zijn in de Koran ‘samengevat’ in twee korte, vage opmerkingen. Tegelijkertijd bevat de Koran één uitgebreide beschrijving van een wonder dat door Jezus zou zijn verricht (dat wil zeggen, aangevraagd bij God). En het aardige is: dat ene wonder is in het Nieuwe Testament nergens te vinden. Het verhaal gaat als volgt:

 ‘En toen Ik [God] de discipelen de openbaring gaf dat zij in Mij en in Mijn boodschapper moesten geloven, zeiden zij: ‘Wij geloven. Weest U er getuige van dat wij ons hebben onderworpen.’ En toen de discipelen zeiden: ‘Jezus, zoon van Maria, is uw Heer in staat tot ons een dis uit de hemel te doen neerdalen?’, zei hij: ‘Vreest God als u gelovig bent.’ Zij zeiden: ‘Wij willen graag daarvan eten, zodat ons hart gerustgesteld is en wij weten dat u tegen ons de waarheid hebt gesproken en zodat wij daarvan getuigen zijn.’ Jezus, de zoon van Maria, zei: ‘God, onze Heer, laat tot ons uit de hemel een dis neerdalen. Dat zal voor ons een feest zijn, voor de eersten van ons en voor de laatsten van ons, en van u een teken. En voorzie ons van het nodige voor ons leven, want U bent het beste in het voorzien in hun onderhoud.’ God zei: ‘Zie, Ik zal hem tot u doen neerdalen, maar wie van u daarna niet wil geloven, zal Ik straffen met een straf zoals Ik niemand van de volkeren straf.’’ (5:111-115)

 

Er daalde een afgeladen tafel neer, rechtstreeks uit de hemel. Dat heeft de Jezus van het Nieuwe Testament nooit gedaan. Hij kon volgens de evangelisten op wonderbaarlijke wijze vissen en brood vermenigvuldigen (Mattheus 14:41-21 en nog vijf andere passages), maar dat verhaal lijkt vooral bedoeld om aan te geven dat hij dezelfde macht bezat als de oude profeet Elisa (2 Koningen 4:42-44). En tja, brood en vissen, dat is nog geen complete gedekte tafel. De vraag is dan: waar haalde Mohammed dit verhaal vandaan?

Er zijn geen aanwijzingen dat Mohammed de Bijbel las, of dat hij via-via de inhoud echt kende. De Koran bevat geen enkel keurig te herleiden Bijbelcitaat. Alles duidt erop dat Mohammed het moest hebben van de mondelinge traditie, met andere woorden van wat er in de wereld om hem heen werd verteld en gepreekt. Vertelden de christenen in zijn tijd (zo rond 600) dat Jezus een gedekte tafel had laten neerdalen? Of heeft Mohammed het zelf verzonnen?

Eén ding is zeker. Het tevoorschijn ‘toveren’ van een compleet gedekte tafel was in de eerste eeuwen van de jaartelling geen onbekend verhaal – eerder een bekende goocheltruc. Dat kunnen we afleiden uit een opmerking van de heidense filosoof Celsus, uit de tweede eeuw na Christus. I zijn beroemde werk Logos alethes (‘Het ware woord’) doet hij een felle aanval op het christendom, dat in zijn dagen steeds meer aanhangers begon te verwerven. Volgens hem  was deze armzalige religie alleen geschikt voor domme mensen en vormde ze een bedreiging voor het Romeinse rijk. (Het boek is verloren gegaan; we kennen alleen uitgebreide citaten dankzij een ander boek, Contra Celsum, ‘Tegen Celsus’, van de kerkvader Diogenes.) Wanneer Celsus komt te spreken over de wonderen die Jezus zou hebben verricht, sneert hij (gericht tegen Jezus):

‘Laten we eens aannemen dat die zaken inderdaad door jou zijn verricht; maar ze komen overeen met wat tovenaars doen, die ook beloven nog veel wonderbaarlijker zaken dan deze te zullen doen. En ook [komen ze overeen] met wat degenen doen die door de Egyptenaren zijn opgeleid [Egypte gold als het land van de magie, mh], die ze uitvoeren midden op het forum, voor een paar muntstukken. Zoals het verdrijven van demonen uit mensen, ziekten verdrijven door te blazen, de geesten van helden oproepen, het tonen van een uitgebreide maaltijd en van tafels bedekt met eten, die helemaal niet bestaan. Deze tovenaars laten ook dieren zien alsof ze bewegen, die geen dieren zijn maar slechts als zodanig voor onze verbeelding verschijnen…’

Zieken genezen, demonen verdrijven, en dan – je ziet het voor je: sim sala bim! – trekt de magiër ineens het laken van een tafel. En op die tafel, die eerst nog leeg was, staat ineens een complete maaltijd. De omstanders zijn stomverbaasd; een aantal reageert geamuseerd maar anderen zijn geweldig geschrokken of diep verontwaardigd. Die man moet een pact hebben gesloten met een god of een demon! Die man was gevaarlijk! Goochelaar zijn was in die tijd niet zonder risico’s. Anderzijds ligt het voor de hand dat sommige goochelaars, om de menigte te prikkelen, juist het randje opzichten en daarom juist ‘wonderen’ lieten zien waarvan de aanwezigen dachten dat je daar goddelijke bijstand voor nodig had. Zoals ‘uit het niets’ een compleet gedekte tafel tevoorschijn toveren. Het is niet onmogelijk dat wat Celsus heeft gezien, of waarover hij heeft gehoord, het bewust nabootsen was van een wonderverhaal.

Maar als Jezus het niet heeft gedaan, zijn er dan wellicht andere wonderdoeners waarvan werd gezegd dat ze een gedekte tafel uit de hemel lieten neerdalen? Jazeker. Althans er bestaat een beroemd verhaal over de Joodse rabbi en wonderdoener Hanina ben Dosa (een tijdgenoot van Jezus), dat heel dicht in de buurt komt. Het is een prachtig verhaal, in twee delen:

Hanina ben Dosa was zó arm dat hij en zijn vrouw zelfs met de sabbat vaak niets te eten hadden. Om dat te verbloemen, en bij de buren de indruk  te wekken dat ze wél iets te eten hadden, gooide zijn vrouw op de avond van de sabbat vaak wat extra kolen in de oven, zodat de schoorsteen goed rookte. De buren vertrouwden het niet en op een avond drong een buurvrouw het huis binnen. Ze wilde weten wat er in de oven zat. Hanina’s vrouw vluchtte weg, de buurvrouw opende de oven en zag daar een heleboel heerlijke broden liggen. God had de oven gevuld.

‘Snel!,’ riep de buurvrouw, ‘een schep, anders verbranden ze nog!’

En de vrouw van Hanina keerde terug in de keuken, met een schep om de wonderbroden te redden. (Volgens het verhaal was Hanina’s vrouw helemaal niet verbaasd want er gebeurde rond haar man voortdurend wonderen.)

Later vroeg Hanina’s vrouw: ‘moeten we blijven lijden?’

‘Wat moet ik doen?’, vroeg Hanina.

‘Vraag God om iets kostbaars, was haar antwoord.

Hanina bad tot God en er verscheen een hand uit de hemel die hem een gouden tafelpoot aanreikte. Ze waren rijk – zo leek het. Maar kort daarna zag Hanina in een droom hoe dat de door God uitverkoren Rechtvaardigen zaten te eten, aan gouden tafels, met drie gouden poten. Alleen hij en zijn vrouw zaten (heel onhandig) aan een tafel met twee poten. Hanina vertelde de droom aan zijn vrouw. Ze kreeg spijt: ‘Bid tot God dat hij die tafelpoot weer terugneemt.’ Hanina bad. En de hand verscheen weer en nam de tafelpoot weer mee.

 

God helpt de gelovigen wanneer de nood aan de man (vrouw) komt. Maar vraag niet te hard of te vaak om een wonder, want de ware beloning volgt ná dit leven. Dat is de betekenis van dit komische verhaal, vastgelegd zo ergens rond 500/600 in de Babylonische Talmoed. Het verhaal zal heel bekend zijn geweest in joodse kring, en ontelbare keren zijn doorverteld, steeds weer nét even anders, verrijkt met nieuwe details, om de luisteraars te boeien. Zo is het heel goed mogelijk dat er varianten op dit verhaal hebben bestaan waarin de argwanende buurvrouw bij het openen van de deur geen overvolle oven aantrof (terwijl Hanina’s vrouw niets te bakken had) maar dat ze een rijk gedekte tafel voor de sabbatsmaaltijd aantrof (terwijl Hanina’s vrouw niets op tafel had kunnen zetten). Ook is het mogelijk dat er varianten hebben bestaan waarin de hand uit de hemel geen gouden tafelpoot maar een complete gouden tafel aanreikte, wie weet compleet met maaltijd. (Waarna Hanina droomde dat hij in de hemel, op een houtje moest kauwen.) En tot slot is het heel goed mogelijk dat vertellers dit verhaal hoorden en de hoofdpersoon hebben veranderd. Niet Hanina maar de wonderdoener Jezus kreeg vanuit de hemel een gedekte gouden tafel aangereikt. Dat soort ‘uitwisselingen’ kwamen heel veel voor, zo weten we. En het verhaal laat zich goed combineren met een van de Nieuwtestamentische verhalen waarin de apostelen Jezus uitdagen om te laten zien dat hij niet ‘zo maar’ een prediker is (Mattheus 24, Marcus 13, Lukas 21). Een maaltijd komt daar dan niet bij kijken, maar de link is snel gelegd. En daarna is het een korte weg naar de Koran. Mohammed was op de hoogte van wat er in de christelijke wereld aan verhalen omging.

Er is, afgezien van de inhoudelijke overeenkomst (‘eten uit de hemel’) nog een extra reden om een link te leggen tussen het verhaal van Hanina en Koran 5:111-115. Dat is de overeenkomst qua betekenis. Verlang geen wonderen, geen aardse goederen, want God kan daar wel voor zorgen maar met die aandacht voor aardse zaken verklein je wél de kans op een hemelse beloning. Zo luidt de moraal van het joodse verhaal. En dat is ook de moraal van 5:111-115. De leerlingen willen van Jezus een wonder zien, iets spectaculairs, en wel nú. Maar Jezus is wat wonderen betreft volstrekt afhankelijk van God (zelf kon hij geen wonderen doen, had hij vaak genoeg verteld). En God is op zijn beurt alleen met grote tegenzin bereid aan dat verzoek te voldoen. Hij waarschuwt: de leerling die daarna nog durft om ongelovig te zijn, kan een zeer zware straf verwachten. De moraal (vragen om wonderen is begrijpelijk, maar eigenlijk zondig) is in beide verhalen dezelfde.

Maar wie Hanina en zijn vrouw vervangen heeft door Jezus, zullen we nooit weten. Mohammed kan dat zélf hebben gedaan; hij kan de joodse vertelling hebben omgetoverd tot een verhaal over Jezus en zijn apostelen. Maar het is waarschijnlijker dat hij een christelijke versie van dit wonder heeft gehoord en verder heeft verteld. En zijn schrijvers hebben het genoteerd.

 

 

 

Marcel HulspasComment